Je ziet enkel de onderdelen die je leerkracht of ouder openzette. De voorbeelden gebruiken jullie eigen woordenschat.
Je leerkracht zette nog geen grammatica open — daarom is het spiekboekje nog leeg.
Lidwoorden
mannelijk
vrouwelijk
voor klinker/h
meervoud
bepaald (de/het)
le
la
l'
les
onbepaald (een)
un
une
un / une
des
Deelaanduidend lidwoord — "wat / een beetje"
mannelijk
vrouwelijk
voor klinker/h
meervoud
du
de la
de l'
des
Na een hoeveelheid (beaucoup, un peu, un kilo …) gebruik je altijd de / d'.
Samengetrokken lidwoord
+ le
+ la
+ l'
+ les
à (naar/te)
au
à la
à l'
aux
de (van)
du
de la
de l'
des
Meervoud
Meestal: + s (die je niet hoort). Woorden op -eau/-eu → + x; op -al → -aux; op -s/-x/-z blijven gelijk.
Bijvoeglijk naamwoord — overeenkomst
Vrouwelijk: meestal + e (grand → grande). Meervoud: + s. Het bijvoeglijk naamwoord past zich dus aan het zelfstandig naamwoord aan (m/v én enkelvoud/meervoud).
Persoonlijke voornaamwoorden (onderwerp)
enkelvoud
meervoud
je (j')
ik
nous
wij
tu
jij
vous
jullie / u
il / elle / on
hij / zij / men
ils / elles
zij
Bezittelijke voornaamwoorden
mannelijk
vrouwelijk
meervoud
mijn
mon
ma
mes
jouw
ton
ta
tes
zijn/haar
son
sa
ses
ons/onze
notre
notre
nos
jullie
votre
votre
vos
hun
leur
leur
leurs
Voor een klinker altijd de mannelijke vorm: mon école. Bij notre / votre / leur is mannelijk en vrouwelijk gelijk — enkel het meervoud verandert (nos / vos / leurs).
Aanwijzend voornaamwoord (deze/die/dit/dat)
mannelijk
mannelijk + klinker/h
vrouwelijk
meervoud
ce
cet
cette
ces
Beklemtoonde voornaamwoorden
moi ik · toi jij · lui hij · elle zij · nous wij · vous jullie · eux / elles zij (mv.)
Na woorden als avec, pour, chez en vooraan om te benadrukken: Moi, je …
Lijdend voorwerp (hem/haar/het/ze)
le (m) · la (v) · l' (voor klinker) · les (mv) — vóór het werkwoord: Je le vois.
Ontkenning
ne … pas staat rond de persoonsvorm: Je ne mange pas. Voor een klinker wordt ne → n'. Ook: ne … plus (niet meer), ne … jamais (nooit).
Lidwoordregel: na de ontkenning wordt un / une / du / de la / des → de (d' voor een klinker). Bepaalde lidwoorden (le/la/les) blijven staan. Uitzondering: na een vorm van être verandert er niets: Ce n'est pas une pomme.
Vraagzinnen
Ja-neevraag met intonatie: zin + ? met stijgende toon (Tu manges une pomme ?).
Ja-neevraag met Est-ce que … ? (Est-ce qu' voor een klinker).
Vaste inversievragen: Quelle heure est-il ? · Quel temps fait-il ?
Vraagwoorden: qui wie · quoi/que wat · quel(le) welk(e) · où waar · quand wanneer · comment hoe · combien hoeveel · pourquoi waarom
c'est / ce sont
Enkelvoud → c'est; meervoud → ce sont.
Werkwoorden — tegenwoordige tijd (-er)
Stam = infinitief zonder -er. Uitgangen: -e, -es, -e, -ons, -ez, -ent (je/tu/il hoor je hetzelfde).
persoon
uitgang
voorbeeld
je
-e
tu
-es
il / elle / on
-e
nous
-ons
vous
-ez
ils / elles
-ent
Andere werkwoorden en tijden oefen je op de pagina's Werkwoorden en Tijden.
🔎 Zoek het op!
Vijf vraagjes — het antwoord staat hierboven in het spiekboekje. Opzoeken mag (dat is net de bedoeling)!